Kennis

Waarom krijgt een parketvloer naden, bolt hij op of komt hij los?

Houten vloeren die krimpen, schotelen of loskomen: oorzaken onderscheiden, toleranties en wat u zelf kunt nagaan

Meestal door vocht. Hout krimpt als de lucht droog wordt en zwelt als ze vochtig wordt, dus wat naad in het stookseizoen hoort erbij; TV 272 aanvaardt na de plaatsing ruimere toleranties dan onmiddellijk na de uitvoering. Wordt het meer, dan zit de oorzaak meestal in een te droog of te vochtig binnenklimaat, een ondergrond die niet droog genoeg was, hout dat te nat werd gelegd, de verlijming of de vloerverwarming.

Waarom beweegt een houten vloer?

Omdat hout vocht opneemt en afgeeft tot het in evenwicht is met de lucht. Droge stooklucht doet planken krimpen, vochtige zomerlucht doet ze zwellen. Volgens TV 269 (Tabel 39) hoort bij 30 % relatieve luchtvochtigheid een houtvochtgehalte van 6 à 7 %, bij 65 % een van 12 à 13 %.

Die beweging zit in de breedte van de plank. Volgens TV 272 (§2.3.4.1) kan een plank van 140 mm uit matig werkend hout, gelegd op 10 %, bijna 2 mm krimpen; stijve lijm halveert dat ongeveer (Tabel 5). Hout reageert traag: eiken doet volgens TV 269 (§3.1.5.4.9) ongeveer 40 dagen over een stijging van 9 naar 11 %, beuken 12 dagen. Bij eiken telt een stookseizoen, een droge week nauwelijks.

Wanneer zijn naden en schoteling nog normaal?

Zolang ze binnen de toleranties na de plaatsing blijven. TV 272 (Tabel 14) aanvaardt bij een gelijmde vloer gemiddeld 1,0 % van de plankbreedte, hoogstens 1,5 % per voeg; genageld 1,5 en 2,0 %; zwevend 1 en 2 mm. Onmiddellijk na de uitvoering gelden strengere grenzen (Tabel 12).

  • Meten. Het gemiddelde geldt over vijf opeenvolgende voegen (§2.7.2.5).
  • Schoteling. Na de plaatsing aanvaardt TV 272 tot 1,0 % van de plankbreedte voor massief hout en 0,6 % voor meerlaags parket, het dubbele van de opleveringsgrens (§2.7.3.2).
  • Klimaat. Dat alles veronderstelt een normaal binnenklimaat: ongeveer 20 °C en 30 tot 60 % relatieve vochtigheid (Tabel 16); weken zonder verwarming en ventilatie kunnen grote schade geven (§2.3.2).

Wat zegt de richting van de schoteling?

Bij concave schoteling staan de randen van de plank hoger dan het midden, bij convexe het midden. TV 272 (Tabel 16) koppelt ze aan tegengestelde oorzaken: concaaf aan te droge lucht, vocht uit de ondergrond of een onvolledige verlijming, convex aan te vochtige lucht, onderhoud met te veel water of een te warme vloerverwarming. Bij vloerverwarming kan een zeer elastische lijm de beweging zichtbaar vergroten; zo'n vervorming kan over de toleranties gaan en toch terugkeren als het klimaat normaliseert (§4.1.2.5).

Waarom komt een vloer los of bolt hij op?

TV 272 (Tabel 16) noemt vijf mogelijke oorzaken: een onaangepast houtvochtgehalte bij de plaatsing, een ongeschikt binnenklimaat, vocht uit de ondergrond, een slecht voorbereide ondergrond en te weinig oppervlaktecohesie. Vaak werken ze samen.

  • Het hout. TV 269 (Tabel 25) beveelt bij levering 9 % aan voor massief parket, 7 % voor meerlaags. Te nat gelegd hout krimpt achteraf, met open voegen of loskomen (TV 272 §2.3.1.3).
  • De ondergrond. Gemeten met de carbidefles mag een cementgebonden dekvloer hoogstens 2,5 % vocht bevatten (1,8 % met vloerverwarming), een anhydrietdekvloer 0,5 % (0,3 % met vloerverwarming; TV 272 Tabel 2). Vocht kan ook later binnenkomen via gevelvoet of lek (§2.2.3.3).
  • De hechting. De ondergrond moet een oppervlaktecohesie van minstens 0,8 N/mm² halen en voorbereid zijn volgens de voorschriften van de lijmfabrikant (Tabel 16). Verlijmd wordt over het volledige oppervlak, met goed aandrukken van de planken.
  • De uitzettingsvoegen. Een houten vloer mag nooit tegen muur of kolom lopen (TV 272 §2.3.4.3). Bij een stijf verlijmde of genagelde vloer veroorzaakt een ontbrekende omtrekvoeg zelden het opbollen: die voeg werkt pas als de hechting al gebroken is (Hoste, WTCB-Tijdschrift 1993). Toch vraagt TV 272 bij een gelijmde of genagelde plaatsing een zwelvoeg van 5 à 10 mm, onder meer omdat een soepele lijm de vloer sterk laat bewegen (§2.3.4.3).

Wat verandert er met vloerverwarming?

De beweging wordt groter. TV 272 (§4.1.2.1) beperkt de oppervlaktetemperatuur van een houten vloer tot 29 °C en raadt een insteltemperatuur van 20 tot 22 °C aan. Hoger stoken kan de luchtvochtigheid onder 30 % duwen, met schoteling en open voegen, en in het ergste geval loskomen of een gebroken ondergrond.

De opstart gaat geleidelijk, hoogstens 5 °C per dag, ook na een lange stilstand (§4.1.2.3). De afwerking (olie, vernis of was) speelt voor de stabiliteit nauwelijks een rol (TV 272 §4.1.2.7; TV 269 §3.1.5.4.9).

Welke symptomen wijzen op welke oorzaak?

Symptoom Mogelijke oorzaak Wat u meet of nagaat
Naden in het stookseizoen die in de zomer sluiten Normale krimp in droge lucht Voegen in reeksen van vijf, luchtvochtigheid
Naden die ook bij normale luchtvochtigheid openblijven Te nat gelegd hout, te warme vloerverwarming, een houtgebrek Houtvochtgehalte bij levering, vloertemperatuur
Randen van de planken omhoog (concaaf) Te droge lucht, vocht uit de ondergrond, onvolledige verlijming Luchtvochtigheid, vocht ondergrond, holle zones
Midden van de planken omhoog (convex) Te vochtige lucht, dweilen met veel water, te warme vloerverwarming Luchtvochtigheid, onderhoud, vloertemperatuur
Losse planken of een opbollende zone Vocht uit de ondergrond, houtvochtgehalte bij plaatsing, binnenklimaat, voorbereiding of cohesie van de ondergrond Onderkant van een losse plank, carbidemeting
Naden of vervorming al bij de oplevering Weinig stabiel hout, fabricage, opslag op de bouwplaats Houtsoort, productfiche, opslagomstandigheden

Een herkenbaar verloop

Een gelijmde plankenvloer krijgt in de eerste winter zichtbare naden. De eigenaar spreekt van een legfout, de parketteur van normaal houtgedrag; gemeten heeft niemand. Een logger toont weken onder 30 % luchtvochtigheid. Vallen de voegen gemiddeld binnen Tabel 14, dan blijven ze binnen wat TV 272 na de plaatsing aanvaardt. Gaan ze erover, dan wijst dat naar het klimaat als het in die periode buiten de grenzen lag, en naar hout of plaatsing als dat ook bij 40 à 55 % gebeurt.

Wat kunt u zelf nagaan?

Meet en leg vast voor er iets verandert. Een hersteld of geschuurd parket vertelt achteraf weinig meer.

  1. Meet het binnenklimaat met een thermohygrometer vlak bij de vloer, minstens twee weken (TV 272 §2.3.3), in en buiten het stookseizoen.
  2. Meet de naden met een schuifmaat of voelermaatjes, telkens vijf opeenvolgende voegen, met plankbreedte, plaats en datum. Herhaal in een ander seizoen.
  3. Vraag de stukken op: de vochtmeting van de ondergrond (volgens TV 272 §2.2.3.4 de taak van de plaatsingsfirma; het droogmaken hoort daar niet bij; voor een normaal klimaat in opslag- en te parketteren ruimten zorgen opdrachtgever en parketteur samen, §2.3.1.2), het houtvochtgehalte bij levering, de productfiches en het opstartprotocol van de vloerverwarming.
  4. Duid holle of krakende zones aan op een plan en fotografeer met een meetlat.
  5. Bewaar een losgekomen plank zoals ze is, met de onderkant zichtbaar.

Wanneer helpt een expertise?

Als de naden of de vervorming buiten de toleranties lijken te vallen, als de vloer loskomt, of als u en de parketteur het oneens zijn over de oorzaak, en liefst vóór er geschuurd of vervangen wordt. Een tegensprekelijke vaststelling legt voegen, schoteling, holle zones en vochtmetingen vast zoals ze waren.

Wij meten hout, ondergrond, voegen en binnenklimaat en toetsen aan TV 269 en TV 272.

Hout volgt de lucht. Zolang niemand de luchtvochtigheid en de voegen gemeten heeft, blijft een discussie over naden een verschil van mening.

ir. Ben Verlinden

Vragen over naden of opbollend parket: welke oorzaak?

Is een vochtmeter voor hout betrouwbaar?

Voor massief hout is de elektrische weerstandsmeter de gangbare methode (TV 269 §3.1.2.2, volgens NBN EN 13183-2): elektroden in de vezelrichting, op minstens 30 cm van de uiteinden, met correctie voor temperatuur en houtsoort. Bij twijfel, bij meerlaags parket, bij behandeld hout en boven een geleidende ondergrond zoals een verwarmingsraster verdient een droogstoofmeting de voorkeur. Een capacitieve meter geeft volgens TV 269 alleen een eerste aanduiding. Door de ongelijke vochtverdeling en de meetfout liggen individuele metingen op massief hout in de praktijk meestal tussen 8 en 12 % (§3.1.2.1).

Welke luchtvochtigheid is goed voor een houten vloer?

TV 272 gaat uit van ongeveer 20 °C (Tabel 16, §4.1.2.1) en een relatieve luchtvochtigheid tussen 30 en 60 % (§2.3.1.1), bij voorkeur tussen 40 en 55 %; de grenswaarden mogen niet langdurig aanhouden. Is de lucht te droog, dan kunt u ze bevochtigen of de mechanische ventilatie bijstellen. De Nederlandse Legvoorschriften Parketbranche (HBA 499, C 8120) laten de parketteur 50 tot 65 % adviseren; die bovengrens ligt hoger dan de 60 % uit TV 272. Dat is een Nederlandse branchepraktijk; in België toetsen wij aan de TV's.

Hoe lang moet een nieuwe chape drogen voor er parket op mag?

Tot een meting aantoont dat ze droog genoeg is. TV 272 (§2.2.3.1) noemt de vuistregel van één week per centimeter dikte uitdrukkelijk onvoldoende zeker. De meting met de carbidefles is op de bouwplaats de betrouwbaarste, met minstens twee metingen per ruimte tot 100 m², waarvan één in de randzone, die trager droogt (§2.2.3.4). Een betonnen draagvloer kan er volgens §2.2.3.2 meerdere jaren over doen.

Gerelateerd

Bespreek uw dossier

Een eerste gesprek is vrijblijvend. Plan meteen een moment in, of stel uw vraag via het formulier.

ir. Ben Verlinden
ir. Ben Verlinden Erkend gerechtsdeskundige (EXP-135222040), technisch raadsman en gediplomeerd onderhandelaar. Meer over Ben Verlinden.

Laatst bijgewerkt:

BV

Buro Verlinden Assistent

Online - Antwoord binnen enkele seconden
Welkom bij Buro Verlinden! Hoe kan ik u vandaag helpen? U kunt mij vragen stellen over onze diensten, onze expertise, of een afspraak inplannen. Deel hier geen vertrouwelijke dossiergegevens; zie onze privacyverklaring.